DE BEVRIJDING EN ZIJN SCHADUW



Ik las IN DE SCHADUW VAN DE BEVRIJDING – HET GEVANGENISCOMPEX IN SCHEVENINGEN 1945-1950. Auteur: Alexandra van Dijk; uitgeverij BLKVLD; ISBN 978-94-92940-48-3.

Waarom las ik dit boek? Het boek gaat over de naoorloogse veroordeling en gevangenschap in het Scheveningse ‘Oranjehotel’ van enkele Duitsers die in de periode 1940-1945 betrokken waren bij de uitvoering van de Duitse bezetting in Nederland. Daarnaast betreft het enkele Nederlanders die betrokken waren bij het NSB-beleid, maar die niet direct of slechts kort betrokken waren bij het Duitse beleid.

Mijn ouders waren lid van de NSB. Op grond daarvan werden zij vanaf mei 1945 krachtens de Bijzondere Rechtspleging ongeveer anderhalf jaar in kampen opgesloten. Als kind, ik was in 1945 zes jaar, heb ik de ernstige gevolgen van deze rechtspleging ervaren: drie en een half jaar werd ik ondergebracht in pleeggezinnen. In mijn autobiografie “Een leven” (zie: website Nationaal Archief; teksten van kinderen-van-foute-ouders) heb ik deze ernstige gevolgen beschreven. Toen mijn ouders vrij kwamen was er geen huis, geen werk en geen inkomen meer, en het heeft tot september 1948 geduurd voor het gezin weer in een eigen huis kon worden ondergebracht. Deze achtergrond geeft aan waarom ik in dit onderwerp geïnteresseerd ben.

De afgelopen veertig jaar heb ik mij intensief beziggehouden met het ontwikkelen van inzicht in wat zich tijdens de periode 1940-1945 heeft voorgedaan, en welke rol mijn ouders en de NSB als organisatie hadden in die periode. Vooral ook heb ik mij op kritische wijze beziggehouden met de beeldvorming die in de Nederlandse geschiedschrijving, media en in het maatschappelijke veld ontstaan is over de collaboratie in die periode. Het heeft mij nieuwe opvattingen en inzichten opgeleverd over dat verleden. De boeken die ik daarover gepubliceerd heb zijn voorhanden in Nederlandse bibliotheken.

Op grond van mijn onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen, dat we ons moeten losmaken van de gedachte dat de NSB de uitsluitende kwalijke grootheid was in de bezettingsperiode 1940-1945 die alles veroorzaakt heeft wat mis ging in deze periode.

De NSB veroorzaakte de Tweede Wereldoorlog niet. Er waren in de periode 1918 (eind van WOI) tot 1940 (begin van WOII) reusachtige, wereldomspannende tegenstellingen die bijvoorbeeld aanleiding gaven tot de beurskrach van oktober 1929. Daaraan vooraf gingen de immense tegenstellingen tussen de toenmalige koloniale mogendheden. Een en ander leidde tot grote verschillen in rijkdom en armoede. Deze tegenstellingen gaven aanleiding tot onder meer de Russische revolutie, en tot het ontstaan van fascistische denkbeelden in de rooms-katholieke kerk (de encycliek Rerum Novarum 1891). Ook leidden zij ertoe dat het merendeel van de mensheid in de periode 1918-tot op heden in anti-democratische staatsomgevingen moest leven. In dit klimaat ontstonden ook in Nederland politieke stromingen zoals communistische en fascistische bewegingen. In Nederland leidde dat tot de oprichting van de CPN en de NSB, organisaties waarvan ambtenaren en militairen geen lid mochten worden, maar waarvan de Nederlandse bevolking krachtens de Grondwet het recht had lid te zijn, of erop te stemmen voor de parlementaire lichamen.

De anti-democratische bewegingen hadden allen hun fascistoïde karakter gemeenschappelijk, iets wat we zich nu in de VS en Israel opnieuw zien ontwikkelen, en wat zich al lang voortzet in Rusland, China, Iran, enzovoorts. De deelname aan politieke stromingen kan begrepen worden als een persoonlijke politieke keuze, die individuen ook persoonlijk kwalijk genomen kan worden. Maar zo’n humanistisch persoonlijke benadering geeft weinig inzicht in het strukturele karakter van deze bewegingen. Individuen konden zich veelal niet onttrekken aan de strukturele en mediale machten waarin ze waren opgenomen.

Om die reden is het bijvoorbeeld ook onduidelijk waarom het niet-aanvalsverdrag (Molotov-Ribbentrop pact) tussen Stalin en Hitler dat van kracht was gedurende de periode 1939 tot halverwege 1941, de Nederlandse communisten na de oorlog niet tot een te veroordelen groep heeft gemaakt. Een verklaring is misschien dat ze via de Februari-staking een verzetsrol op zich genomen hebben, die hen van een naoorlogse veroordeling gevrijwaard heeft.

Al dit soort processen zijn moeilijk individueelpolitiek begrijpbaar. Ze hebben op het totaal sociale vlak voornamelijk een struktureel karakter. Echter, wel was het zo, dat zelfs binnen gezinnen en families, de tegenstellingen tussen struktureelpolitieke (fractie)vormingen, die zich later als goed tegenover fout hebben gemanifesteerd, tot uitdrukking kwamen.

De NSB speelde in de periode 1940-1945 slechts een zeer kleine rol in de bezettingspolitiek. Voor een deel vloeide dat voort uit de specifiek Nederlandse invulling van het nationaal-socialisme, een politieke denkwijze die niet aansloot bij het Duitse nationaal-socialisme. Zelfs tot in de oorlog bleven joden lid van de NSB. In 1938 maakte Mussert bezwaar tegen Kristallnacht. Na 1936 ontstond echter al een tegenstelling tussen de uitdrukkelijk pro-Duitse fractie binnen de NSB en de voornamelijk Nederlands georienteerde meerderheidsfractie van Mussert. Na september 1940 gaf dit de bezetter aanleiding de Nederlandse-SS op te richten. Het doel van de Nederlandse-SS was de NSB in zich op te zuigen en meer Duits-georienteerd te maken (zie ook de proefschriften van Bas Kromhout uitgegeven onder de titel De Voorman – Henk Feldmeijer en de Nederlandse SS; ISBN 978-90-254-3837-1; en, Evert Jan van Roekel: Veldgrauw – Nederlanders in de Waffen-SS; ISBN 978-90-00-365524). Dat opzuigen heeft echter niet plaatsgevonden: er ontstond een uitdrukkelijke Mussert-meerderheidsfractie (circa 92% van de leden), die meer Nederlands georienteerd bleef, tegenover de Nederlandse-SS (circa 8% van de leden), die uitdrukkelijk Duits georienteerd was. Deze fracties hadden verschillende lokaties en verhielden zich conflictrijk.

Deze nuanceringen behoren geschiedkundig tot de controleerbare feiten, maar hebben tot op heden nauwelijks enige serieuze plaats in de publieke opinie gekregen. In mijn onderzoek Kritische Beschouwingen Over Collaboratie (2011; 2015; 2019; 2021) heb ik deze onderdelen van de Nederlandse geschiedschrijving aan de orde gesteld.

Als ik nu wil nadenken over de betekenis van de publicatie IN DE SCHADUW VAN DE BEVRIJDING (Het gevangeniscomplex in Scheveningen 1945-1950) is het van belang de voorafgaande uiteenzetting over strukturele elementen op te nemen. Ik moet dan helaas weer tot de conclusie komen, dat de uitgave over het Scheveningse gevangeniscomplex het bestaande ongunstig stereotyperende beeld ten aanzien van de Nederlandse nationaal-socialisten laat voortbestaan:

(1) Het gaat voornamelijk over een gevangenis, dat wil zeggen, dat alle gebeurtenissen, de betrokkenen en hun organisaties in een ongunstige betekeniscontext worden geplaats.

(2) Er wordt in de tekst meerdere keren gesproken over “misdaden” van de gevangenen die lid waren van de NSB, maar er wordt geen uiteenzetting gegeven over omvang of inhoud daarvan in verhouding tot de daden van de Duitse bezetter.

(3) Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de NSB als organisatie en de Nederlandse-SS als organisatie.

(4) Er wordt geen melding gemaakt van de strukturele ondertekening van de Arierverklaring in het najaar van 1940 door alle meer dan 225.000 Nederlandse ambtenaren (op circa tien na). Dit strukturele proces markeert het begin van de jodenvervolging in Nederland. Ook wordt niet vermeld dat de Mussertmeerderheidsfractie binnen de NSB als organisatie niet betrokken was bij de jodenvervolging.

(5) Er wordt melding gemaakt van martelingen en overig geweld ten aanzien van de (Nederlandse en Duitse) nationaal-socialistische gevangenen in de periode 1945-1950. Voorafgaand daaraan echter wordt al uitgebreid ingegaan op martelingen en geweld in de periode 1940-1945. Deze misdaden worden echter niet of nauwelijks in verband gebracht met de casussen van de na-oorlogse gevangenen. De na-oorlogse gevangenen worden daarmee medeverantwoordelijk gemaakt voor alle eerder opgevoerde Duitse misdaden in de periode 1940-1945. Het betreft een typische vorm van tekstuele pseudo-statistiek.

(6) De titel-toevoeging “1945-1950” krijgt door hetgeen onder (5) aan de orde is gesteld, een oneigenlijk aspect. Het gaat in dit boek niet om de periode 1945-1950 maar om de periode 1940-1950.

(7) Er wordt melding gemaakt van martelingen en geweld in de periode 1945-1950. Dat is het enige positieve aspect dat aan deze uitgave kan worden meegegeven. Dat de Bijzondere Rechtspleging een schending van mensenrechten was, komt echter in dit boek niet aan de orde.

(8) In het kader “De daders: tussen ideologie en banaliteit” (p. 123) verwijst de auteur naar de opvattingen van Hannah Ahrendt over ‘de banaliteit van het kwaad’. Anton Mussert wordt daar vergeleken met Adolf Eichmann. Eichmann staat hier uiteraard voor genocide, die zich voltrok in geheime Duitse projekten. Uit de geschiedschrijving over de Nederlandse collaboratie is niet af te leiden dat de NSB als organisatie betrokken was bij deportaties en genocide. Het is zelfs onbekend of Mussert op de hoogte was van de zich voltrekkende genocide. In “’Wij weten niets van hun lot’ – Gewone Nederlanders en de Holocaust” van Bart van der Boom, 2012, ISBN 978-94-6105-4777, wordt plausibel aangegeven dat in Nederland voorafgaand aan de bevrijding eigenlijk geen kennis bestond over de genocide. De opvattingen van Alexandra van Dijk geven precies weer waar mijn probleem ligt bij deze publikatie: een denkwijze zonder serieuze nuancering.

(9) Dit boek doet het opnieuw voorkomen, alsof de NSB de schuldige was aan alles wat zich tijdens de periode 1940-1945 voltrok. Dat is een onjuiste visie.

Tenslotte: ten overvloede: ik onderschrijf de politieke lijn van de NSB, fascisme en nationaal-socialisme niet. Ik ben uit op nuancering van de geschiedschrijving over een zwarte bladzij in de Nederlandse geschiedenis.